de golven
dag, kus
in wind,
tot snel.
een nacht
onaangeraakt,
tot de dag strandt
in vervuld vermoeden
—weet je nog de zon?
je zilte lippen op
mijn schouder
toen we
zwommen
in zee, golven
tollendstrelend,
voor winter vuur
bevroor tot glas.
toppen sloegen
om in sussen;
zwijgend
op de steiger
wierp jij je blik van ijs,
mijn puls slechts nog
een tinteling.
in stilte
mis ik
je en jij
me niet: dag,
zingt de wind,
vaarwel.