Er hingen slingers op – of er iets te vieren was dat weet ik niet. Ik liep naar het linkerhokje, dat was nog vrij. Tussen de grijze schotjes vouwde ik het biljet uit en dacht even aan mijn eerste keer in zo’n hokje. Nog altijd net een krant. De ijzeren schakels aan het rode potlood waren log en hoekig, grepen in elkaar zodat mijn speelruimte gering was. Ik nam de tijd, liet mijn blik langs onbekende en bekende namen glijden en slaagde erin een keurig rood bolletje te produceren met het verstrikte potlood. Naast mij stond Jannie, wist ik. Jannie en haar vriendin even verderop bespraken namelijk luid wat zij in het hokje aantroffen. “Jannie! Ken jij ‘t vinden?” “Ja!,” schalde het, “waar is me bril – 3, lijst 3 mot je hebben!” Naast mij werd lijst 3 gestemd. Toen ging Jannie’s telefoon, ze nam op. Haar stem werd nog iets luider. Ik luisterde al niet meer en begon mijn weg langs de kleurige guirlandes naar buiten en dacht nog een tijdje aan Jannie, aan Jannies. Op de fiets door de lentezon en de lucht die lichter, zachter leek zoals alleen aan het einde van de winter, hoopte ik dat Jannies vandaag besloten toch maar liever een kroketje te halen dan zich in zo’n grijs hokje te persen. Of eigenlijk hoopte ik dat Jannies de schoonheid zouden zien, de schoonheid van de lentelucht en van een nieuw begin.

Post a comment