Das Hotel, Mariannenstraße. Ik drink uit een prachtig glaasje: klein, eenvoudig, randvol rood. De eerste slok legt een fluwelen dekentje op mijn tong, laat zich lang proeven. Ik ben hier, neem teugjes, zie in het zachtste blauw. Tedere lucht die licht geeft, geaaid door nog zachter wit in een loom strelen met de wind mee. Blauw en wit, of ijs dat de zon blust en fluisterend haar scherpte wegneemt. Het is al na zessen. Fluweel is ook: hoe de hemel beweegt in een zomerbries, het milde okergeel van het gebouw tegenover en het licht van de lantaarns dat langzaam opwarmt voor een lange nacht in Berlijn.
De bloemen zijn hier jong en wild—ontaarde sterrenbeelden in een donkerhouten hemel. Lila en indigo. Wijnrood. Bladgroen en frisgeel. In hun constellatie van water, lucht, kristal en kleur zweven ze als sneeuw op pauze of dik opspattend zeeschuim, ijsgeworden in een dozijn boeketjes dat in glas aan het hoge plafond hangt. Soms denk ik dat de gulle plafonds deze stad gered hebben, ervoor zorgen dat niemand haar de adem ontnam en dat niemand de adem wordt ontnomen. Je mag er zijn, Berlijner. Hier is ruimte om omhoog te kijken. Vanaf mijn plek aan het kamerhoge open raam kijk ik naar de straat, de lucht en het leven dat in alle richtingen voorbijtrekt. Ik zit er middenin en toch verscholen onder stille sneeuw, dode zee, decor voor wie wil kijken, maar niet zonder meer gezien wil worden.
Kijk ik om, ben ik elders en veranderen onbekende gezichten in bekende. Ik weet nog precies waar mijn moeder zat—en zijn moeder, en hij, zijn hand op mijn been. Hoe mijn moeder lachte, uitgelaten, jong, één hand voor haar mond gekruld, een knuistje eigenlijk, terwijl ze naar voren leunde met die voorzichtige schaterlach, de ondeugende en verlegen blik. Alles durven, witte wijn, sigaretten. Ik laat mijn blik even rusten op het kleine podium links naast de openstaande deur, hoger dan lang en breed, nog geen vierkante meter om te bespelen, en hoor opnieuw de gruizige zang. Ongewassen, schurende uithalen in de nacht. Ik zie de zelfgebouwde contrabas, het olievat, de drie Zeeuwse jongens die allang mannen waren. De oude piano, de onafgewerkte muren in een kleur zonder naam en het kaarslicht dat de ruimte en mijn herinneringen in een warme waas achterlaat.
Eigenlijk had ik willen schrijven van zondag en van zwemmen in je blootje, van er zijn zonder dat je daarvoor consessies moet doen. Maar dat komt later, we zijn nu hier—mijn herinneringen, de dingen en ik. In dit licht van ijs en de vallende avond lachen we gedrieën om de klok en de spoorloze lijn van de wijzers. Tijd is geen lijn, het is een dans en dansend zien we over de schouder, dan weer voorzichtig in de ogen van de nabijheid, raken het nabije aan, voelen de warmte van het onbekende aan onze vingertoppen. En soms, als die aanraking onvoorzichtig, onverwacht, onbevangen is—als aanraken geraakt worden betekent—dan is er geen tijd, geen dans. Dan is er alleen maar zijn, existentie, istigkeit. Mijn glas is vol, de wijn vergeten. Zoveel vergeten. En altijd spijt, dat ik het niet schreef.