Ik heb sinds kort een nieuw trucje: de neusvleugels aanspannen zodat ze wijd open gaan staan. Dat is makkelijk bij het epileren. Ik frons als de buurvrouw met het hondje voorbijloopt, doe mijn mond open bij de tandarts. Ja, het gezicht doet wel wat ik wil. Toch ben ik er nog steeds niet aan gewend. Het zou een tijdje duren zeiden de artsen, maar ik zag destijds aan de manier waarop ze naar me keken, meer speelgoed dan mens, dat ze het niet wisten. Ik was ten slotte de eerste.

Tegen mijn psycholoog zei ik in het voortraject dat ik enige jaren geleden een tijdlang maaltijdshakes dronk. Ik genoot daar niet van, maar het was snel en minder triest dan in je eentje koken. Na een maand wist ik niet meer beter en als mijn tandarts destijds niet zo moeilijk had gedaan zou ik ze nu nog steeds drinken. Een nieuw hoofd zal ook vanzelf wel normaal worden dacht ik dus toen ik de papieren in de herfst van vorig jaar in bijzijn van een zaal vol pers ondertekende.

Ik kijk soms nog naar de foto’s van die persconferentie—de laatste foto’s van vòòr de transplantatie. Dan haal ik ze uit het mapje en laat mijn vinger gaan langs de korte rode krulletjes boven het bleke voorhoofd en mijn wangen met kuiltjes, stop bij de kanker in de kaak. Het zat verder in mijn rechteroog en mijn neus vertrouwden ze ook niet. Dat rossige hoofd zweeft nu hersenloos in een cilinder met formaline in Milaan. Daarnaast een aquarium met het lichaam van mijn donor en zijn hersenen in een lange plakjes-galerij. Hij had geen kanker in zijn kop, maar wel op iedere andere plek in zijn lichaam.

Ik inspecteer zijn opengesperde neusgaten in de spiegel op overgebleven haartjes. Beneden loopt de buurvrouw voorbij met haar hondje. We fronsen.


Dit was deel vier uit de serie Mens—een reeks korte schetsen van echte en bijna echte mensen.

Post a comment