In een wilde stoet vertrekken we vanaf het kamp richting Serres: vijfentwintig kinderen, een handvol volwassenen. De kinderen rennen vooruit en terug, dartelen rechts over de weg en links door de berm als kleine draaikolkjes in een voorwaartse stroom. Ik loop zij aan zij met Achmed, een rustige jongen van elf. Hij heeft korte donkere haren en helderbruine ogen en draagt een grijze joggingbroek en sweater.
Ik zie Achmed iedere dag. Hij komt naar het veld om te voetballen of dansen, nieuwe diabolo-trucs te oefenen, te observeren en nieuwkomers zoals ik deel te maken van wat er gaande is. Hij is wijs voor zijn leeftijd. Een oude ziel, zou mama zeggen. Barstend enthousiasme omringt ons in een harmonica van uiteenvallende en weer samenkomende plukjes kinderen. ‘They are crazy!’ Lacht Achmed in een opgewekte verontschuldiging. En dan: ‘Look!’ Hij wijst naar de hemel.
Boven ons trekken kraanvogels traag voorbij. Majestueuze vleugels, lange halzen en snavels schilderen verstilde vormen, slanke veren snijden door een romige lucht. Alles op pauze. We staan stil en kijken naar de vlucht in de hemel, Achmed en ik, eindeloze tellen lang. Pas als ik later afscheid neem en alleen door de straten van Serres naar huis loop, land ik weer binnen de grenzen van een gespleten werkelijkheid. Waar de klok tikt als een beul, bommen uit de lucht vallen en kinderen dartelen in de as van hun dromen.