Een lach in zichzelf

Hij buigt als ik langsloop, Boeddha. Hij heeft het kromme lichaam van een man op leeftijd, met wortels in de Levant of een andere plek waar bossen in antieke oorlogen zijn kaalgevreten en vergeten, oorlogen zo oud dat ze onschuldig lijken. Het kleverige bloed van v.C. is er schoongespoeld door vers geweld en de lach van Erdoğan, de bomen zijn vandaag woestijn en Boeddha rookt een sjekkie. Hij zit met in elkaar zinkende oude-mannen-benen voor de nachtwinkel, bot op bot op bierbank met een heel dun laagje woestijnkleurige huid en een grijze broek ertussen. Tijd in het gezicht, onzichtbare krulletjes om de mondhoeken; een lach in zichzelf. De buiging is er één naar niemand en het al en ik lach ook, in het voorbijgaan, om ernst en machtige mannen en mijn eigen sores, tot het over is en de kapotte klok in mijn slaapkamer zacht tikt, de wijzers stil blijven staan.

::

One-Time
Monthly
Yearly

Feed my imagination with a one-time or recurring donation—for the price of a cup of coffee.

Feed my imagination with a one-time or recurring donation—for the price of a cup of coffee.

Enter the dream of the dreamer. Support me with an annual gift, receive a poem-a-year in return.

Select an amount

€2.00
€5.00
€10.00
€2.00
€5.00
€10.00
€10.00
€25.00
€50.00

Or pick your own


Thank you, truly.

Thank you, truly.

Thank you, truly.

DonateDonate monthlyDonate yearly

Küchenhilfe

‘Ik kon toen die brief niet schrijven, ik had het druk.’ Salah ziet er moe uit. Ik vul in dat hij veel werkt, te veel. Hij verdient 200 euro per maand, vertelt hij. Machtsmisbruik stopt niet na de oversteek: waar eerst een smokkelaar zijn slag slaat uit de sprong in het leven, doet na aankomst in Europa de ondernemer hetzelfde.

De volgende keer dat ik Salah zie vraagt hij naar de vertaling voor schoonmaker in een restaurant, iemand die in de keuken werkt—nee niet kok, dat woord kent hij. Na wat over en weer komen we tot de conclusie dat “Küchenhilfe” het beste past bij het werk dat hij doet.

Overstappen met de trein of bus, dat heet umsteigen. Niet wechseln—dat woord gebruik je bijvoorbeeld als je van baan wisselt: Job wechseln. Meer verdienen, of promotie krijgen heet aufsteigen. ‘Ik wil meer geld,’ zegt Salah, ‘700 euro per maand.’

Dood zaad ’36

Toen ik midden twintig was en feminist, sprak ik graag met enige bravoure over stoppen met de pil en hoe die hormoonbolletjes de vruchtbaarheid van de vrouw kapotmaakten—in ieder geval die van mij. Tegenwoordig gaat het alleen nog over zaad. In de metro wordt geadverteerd met speciale kinderfietszadels voor gevoelige balletjes en een nieuw voedingssupplement dat de zaadkwaliteit tot wel tachtig procent verbetert.

Een genderloze stem vertelt me waar ik ben. Twee haltes nog. De val van de potente witte man is ingezet en opeens vind ik dat jammer. Geïrriteerd open ik Chemistry, en zowaar: iemand wil iets van me. Sven, 67% vruchtbaar (’32), Zweedse roots, houdt van buitensport, wandelen en reizen. Ziet er leuk uit, maar een vier jaar oude zaadtest is niet veelbelovend en wandelvakanties staan me ook al niet aan. Ik annuleer de potentiële match.

Mijn eerste Chem-date was geen succes. Man van het type rubber, ondoordringbaar en toch een beetje soft. Thee met seks en een koekje, nooit meer gezien. Die erna was leuk, een hippie. We hadden een tijdje wat, totdat hij vertrok om in een commune in de buurt van Grenada te gaan wonen. Moe van de technocratie, in zijn woorden—ik noemde het laf. “Steek jij je kop lekker in het zand,” was mijn laatste berichtje. Geen antwoord, waarschijnlijk had hij de stekker er al uit getrokken.

Ik stap uit de metro, haal een kweekvlees-hotdog met mayo en gooi het zachte broodje weg. De melancholie blijft plakken en ik lik mijn vingers af terwijl ik denk aan vroeger toen het vlees nog echt was. Vóór het Nestlé schandaal, hormonen in waterleidingen en mannen met dood zaad. Is dit dan het einde van de mens, sukkel die zijn eigen soort om zeep hielp? Misschien had mijn hippie toch gelijk, toen hij de achteruitgang nam uit de vooruitgang.

Niet iedereen heeft toegang tot zo’n pastorale droom, zei ik destijds met geheven vinger tegen mensen die vroegen waarom ik niet was meegegaan. Nee, ik wilde niet horen bij een vluchtende elite van lachende blanke mannen en vrouwen met dreadlocks en gebatikte t-shirts. De rest van de wereld drinkt nog steeds uit petflessen en raakt verstopt met microplastic. Notificatie van mijn yogastudio: vanaf deze week iedere woensdag een mannenuurtje, met focus op de prostaat.

Speelgoedmens

Ik heb sinds kort een nieuw trucje: de neusvleugels aanspannen zodat ze wijd open gaan staan. Dat is makkelijk bij het epileren. Ik frons als de buurvrouw met het hondje voorbijloopt, doe mijn mond open bij de tandarts. Ja, het gezicht doet wel wat ik wil. Toch ben ik er nog steeds niet aan gewend. Het zou een tijdje duren zeiden de artsen, maar ik zag destijds aan de manier waarop ze naar me keken, meer speelgoed dan mens, dat ze het niet wisten. Ik was ten slotte de eerste.

Tegen mijn psycholoog zei ik in het voortraject dat ik enige jaren geleden een tijdlang maaltijdshakes dronk. Ik genoot daar niet van, maar het was snel en minder triest dan in je eentje koken. Na een maand wist ik niet meer beter en als mijn tandarts destijds niet zo moeilijk had gedaan zou ik ze nu nog steeds drinken. Een nieuw hoofd zal ook vanzelf wel normaal worden dacht ik dus toen ik de papieren in de herfst van vorig jaar in bijzijn van een zaal vol pers ondertekende.

Ik kijk soms nog naar de foto’s van die persconferentie—de laatste foto’s van vòòr de transplantatie. Dan haal ik ze uit het mapje en laat mijn vinger gaan langs de korte rode krulletjes boven het bleke voorhoofd en mijn wangen met kuiltjes, stop bij de kanker in de kaak. Het zat verder in mijn rechteroog en mijn neus vertrouwden ze ook niet. Dat rossige hoofd zweeft nu hersenloos in een cilinder met formaline in Milaan. Daarnaast een aquarium met het lichaam van mijn donor en zijn hersenen in een lange plakjes-galerij. Hij had geen kanker in zijn kop, maar wel op iedere andere plek in zijn lichaam.

Ik inspecteer zijn opengesperde neusgaten in de spiegel op overgebleven haartjes. Beneden loopt de buurvrouw voorbij met haar hondje. We fronsen.


Dit was deel vier uit de serie Mens—een reeks korte schetsen van echte en bijna echte mensen.

VIVIANE

De tweede keer dat ik Viviane zie is vluchtig en ik ben niet voorbereid—een ree in het koplicht van een auto kort voor de klap. Ik vraag hoe het gaat, verberg mijn paniek achter een glimlach en mijn roze sjaal. De overvolle tram met beslagen ruiten waar ze uit is gestapt komt krijsend in beweging en ik versta niet wat ze zegt, kijk hulpeloos toe hoe haar woorden in opstijgende wolkjes verdwijnen.

.   .   .

Ik knijp mijn ogen tegen het felle licht. Dat Viviane in een context van wit-gesausde muren zou leven leek onwaarschijnlijk. Toch voeren de betonnen treden me nu omhoog door een modern appartementencomplex met stalen trapleuningen, grote glasplaten waar de zon doorheen valt, en anonieme voordeuren met kijkgaatjes. Ik concentreer me ongewild op de manier waarop ik traploop, niet ploffen, niet sloffen, voel de afstand tussen haar en mij geruisloos concreter worden, als iets dat zich samenbalt in een toenemend vacuüm. Ik ga de laatste bocht om en kijk op naar de vrouw die me verwacht.

Op het moment dat haar blik de mijne kruist gebeurt er iets. Verlangen, denk ik. Ze heeft korte donkere haren en een gezicht uit streepjes. Smalle neus, dunne lippen, bleke huid bestrooid met plooitjes die een felle blik onderstrepen. Als ik na de laatste trede tegenover haar sta—een fragiele gestalte in een betonnen kader, daarachter een zalmroze tapijt—voel ik me opgelaten en geborgen tegelijk. Ze stelt zich voor. Ranke vingers laten een onzichtbare afdruk achter in mijn palm. Ik kijk onwillekeurig naar mijn hand, waar ze nu een paar sokken in drukt, overhandig in ruil een fles Sekt en volg haar in een bescheiden appartement van harde geometrie en zachte rosé-tinten. 

In het midden van de woonkamer staat een vleugel. Ze gebaart naar een sofa en haalt glazen, ijs, een fles bloedsinaasappelsap en een grote tros witte en rode druiven die ze op het glazen salontafeltje voor de bank neerzet, schenkt in: driekwart Sekt, één kwart bloedsinaasappelsap. De glazen klinken—geen verdere beleefdheden. Ze vertelt over haar man en ik luister terwijl zich de contouren van een onsterfelijke liefde ontvouwen. Ze hadden elkaar leren kennen in de trein naar Italië. Zij aan het raam, tegen een decor van voorbijsnellend landschap, hij die naar haar keek terwijl ze zelfbewust naar buiten staarde. Zou ze mooi zijn geweest? Ik probeer de vraag weg te duwen, staar naar mijn tenen in haar roze sokken op een hoogpolig bed van zalm. Ik ontmoet haar blik. Zij ontmoette zijn blik, stapte met hem mee uit, verbleef vijf dagen met hem in een luxe hotel. Nu is hij dood.

Ze staat op en loopt naar de vleugel, knipt het leeslampje aan en gaat zitten. Als ik naar haar lievelingsmuziek vraag, zegt ze: ‘De muziek die ik speel.’ Vandaag is het Dvorák. Op de lessenaar staan verder Beethoven’s Frühlingssonate, een pianotrio van Brahms en een verzameluitgave met tango’s van Piazzola. In het begin is haar spel afstandelijk, maar een paar frasen in het stuk lijkt ze zich te ontspannen en neemt ze me mee. Stuwende bassen met in elkaar grijpende akkoorden dragen lichte melodieën; vingertoppen, strelend en ondeugend. Het kruipt langs mijn rug omhoog. Ik sluit mijn ogen, hoor het duel van twee geliefden. Beukend van onder en bovenin zijdezacht, grijpen en loslaten, in elkaar verdwijnen, janken, fluisteren… Als haar handen zich van de toetsen losmaken kijk ik hoe de haartjes op mijn armen weer gaan liggen. Ze lijkt te wachten op een antwoord, maar ik kan niet op tegen de geweldige stilte waarin haar muziek uitklinkt, leg een dikke rode druif op mijn tong en bijt langzaam tot zijn vel openbarst, vraag me af of de dingen die ik heb ontdekt wederzijds zijn.

  .   .

Het gesprek is ijzig. Zodra er genoeg tijd is verstreken en de volgende tram door onze laatste ongemakkelijke stilte snijdt omhelzen we elkaar; stijfjes, twee mensen die elkaar toch niet kennen. Viviane draait zich om, en ik kijk hoe de tram langzaam leegloopt.


Mens: een reeks korte schetsen van echte en bijna echte mensen, #3. Dit was een klein stukje uit iets groters—zou je verder lezen?

Man die te dichtbij komt

Ik ben hem vaak tegengekomen, je zou kunnen zeggen regelmatig. Hij ziet er nooit hetzelfde uit. Soms is hij lang, een andere keer kort. Van gemiddeld postuur, met bierbuik, tanig. Hij heeft alle kleuren haar al eens gehad, draagt snor of Nikes of iets anders en wordt overal geboren. Toch herken ik hem meteen.

Hij kijkt zo dat ik weg moet kijken en die macht vindt hij geil. Ik weet dat hij weet dat hij iets met me kan doen. Per ongeluk zijn hand langs mijn bil laten gaan als hij langsloopt. Me vastpakken, verkrachten. Het schiet door mijn hoofd en het klopt in mijn borst in die paar lange seconden dat hij te dichtbij komt. Vlees, denkt hij. Neuken! Hij denkt met zijn penis.

Andere mannen kennen hem niet. Van gehoord, ja dat wel, maar tegenkomen doen ze hem nooit, deze zogenaamde man. Andere mannen zijn hem niet. De man die te dichtbij komt is een man in meervoud en dus altijd iemand anders.

Heel soms blijft de man die te dicht bij kwam nog even bij me. Hij gaat ongevraagd met me mee vanuit de metro naar huis, ik neem hem mee in bed en hij is het die ik als laatste zie voor ik in slaap val. Hij denkt niet aan mij, nu niet meer. Hij is alweer een man als alle anderen.

Boterhamzakjes

Wat naast het wit met groene houthakkershemd, het naar twee kanten gekamde halflange witte haar en de volle baard het meeste opvalt is de huid onder zijn ogen. Gebruikte boterhamzakjes tot halverwege zijn wangen. Het is een fascinerend overschot aan vel, als een afgeworpen slangenhuid, met het verschil dat deze man de droge zakjes niet zomaar kan laten liggen en verruilen voor glad en glanzend. 

Erg oud is hij niet, ik schat halverwege de zestig, misschien jonger. Bij mensen die een leven lang in Berlijn hebben doorgebracht is het soms moeilijk te zeggen. Zo’n type lijkt hij wel: een levenslange Berlijner. Een man die deze stad nog kende gedeeld door twee. De ogen boven de zakjes staren naar iets op de grond dat zich ongeveer een meter voor zijn voeten moet bevinden en dat meebeweegt terwijl hij loopt. Misschien is hij een mens van het nostalgische soort, dat met lede ogen aanziet hoe zijn Berlijn in iets verandert dat hij niet meer meent te herkennen. Ik weet niet precies hoe zwaar dat thema is; of het zoiets is als slecht weer, een geliefd onderwerp onder buurtgenoten die zich niet voor elkaar interesseren, maar in de rij voor de kassa niet te beroerd zijn om te beurtelings te zuchten en het hoofd te schudden, of dat het genoeg gewicht heeft om de wallen van een Ur-Berliner als slappe origami richting kin te trekken.

Het houthakkershemd is wat je een blikvanger zou kunnen noemen, niet per se vanwege de kleur en het bekende geblokte patroon – type grote vlakken en lijnen, niet het keurige soort met kleine blokjes dat zegt “ik ben een gewone man” – nee, het springt vooral in het oog vanwege de kou. Het is begin december en 2 graden, maar de man loopt met opengeknoopt overhemd en een wit T-shirt van de Lidl naar huis. Ik stel me voor hoe hij in de rij voor de kassa niet klaagt over het weer, zwijgend een beurtbalkje pakt, staart naar iets op de bodem, contant betaalt en misschien iets onverstaanbaars tegen de caissière mompelt. Dat hij dan zijn boodschappen in de Lidl-tas doet, de kou in stapt, en het gewicht van zijn leven naar huis draagt.


Je las zojuist eerste poging in een voorgenomen serie: Mens. Een reeks korte schetsen van echte en bijna echte mensen. Laat je me weten wat je er van vindt?

Een slok melk

‘Slok melk?’ ‘Ja.’ Paco is niet het type dat je door de koffiedamp zwijgend aankijkt; geen filosoof en zonder veel opsmuk. Hij leest zelfhulpboeken. Ik houd mijn mok een beetje schuin terwijl hij een goeie scheut melk inschenkt. Hij is al een tijdje werkloos. Soms gaat hij naar de OBA om dingen te doen. Straks gaat hij ook weer, meestal naar de derde verdieping.

Tussen ons in op de hoek van het keukeneiland ligt een boek over time management. Het is geschreven door een Poolse psycholoog met een moeilijke naam. We vermaken ons een tijdje met mislukte pogingen om al die medeklinkers achter elkaar uit te spreken. De oplossing volgens dat boek: to-do lijstjes. Opschrijven wat je moet doen, netjes onder elkaar, met lege vierkantjes ervoor. Een stift om kruisjes of v-tjes te zetten en de rest gaat vanzelf.

Ik vraag of hij naar de bieb gaat om to-do lijstjes te schrijven. ‘Kap es,’ zegt hij met zijn brede grijns. Jongensachtig. Hij is moeiteloos mooi en weet het. Jonge Amsterdammers proberen iemand te zijn en vaak lukt dat zonder dat het opvalt, maar als je dan een beetje schuin kijkt zie je het meteen. Paco niet, hoewel ook hij niet zonder pretentie is. Hoe hij beweegt en hoe hij praat en waar hij van houdt – dingen die om erkenning vragen.

Toch: “10 life hacks die je leven veranderen,” moderne wijsheden voor mensen die drukdrukdruk zijn, leest Paco zonder gène. Ik drink mijn laatste slok. We staan op, fietsen nog even naast elkaar langs de Brouwersgracht, slaan dan ieder onze eigen weg in. Op mijn tong ligt nog het laagje, slingerend tussen bitter en zoet.

File

Toon staat in de file, al een half uur ofzo. Had hij zich net zo goed nog kunnen scheren. Trommelen op het stuur, ruitenwissers sneller, langzamer. Hij neemt een slok koude koffie. Een dun straaltje loopt via zijn mondhoek naar beneden en vormt een druppel aan zijn kin, valt dan op de witte kraag. Godver. Doekje pakken uit het dashboard. Nou ja, laat ook maar. Links van hem rijdt een Saab met een hippie achter het stuur, soms voor, dan weer achter hem. Wat een tyfusherrie maakt dat ding. Toon kijkt zo geërgerd mogelijk naar links, dan weer vooruit naar een remlicht dat soms wel 20 seconden brandt.

Vanuit de lucht bezien lijkt file op een autosoep, een kleffe massa in twee dunne slierten die in tegengestelde richting bewegen. Als je van dichtbij gaat kijken zie je de stukjes. Rood, veel blauw, meer metallic grijs. Nog dichterbij en je ziet door kleine raampjes de levens in die auto’s. Stukje rijden, stoppen, stukje rijden. Bestuurders zuchten om de beurt, maken bubbels in de soep.

Een rood kruis boven de linkerrijstrook en een hoop geknipper verderop zorgen voor wat reuring. De hippie in de Saab wil voor hem invoegen. Geen denken aan dat ik achter die bak ellende ga rijden, denkt Toon. Hij drukt zich tegen zijn voorganger aan, zo dicht dat hij de tanden van de grijnzende Bifi-bumpersticker kan tellen. Maar de hippie laat zich niet kennen en duwt door. ‘KAN JE NIET RITSEN! EIKEL!’ Toon steekt zijn middelvinger op, de hippie zwaait en de Saab ronkt. Dan maar de radio aan. Verkeersinformatie – ja, ja, ik weet ook wel dat ik in de file sta. Tien minuten en weinig meters verstrijken. Ook Toon’s hangende ogen staan inmiddels op file. Grijs en uitzichtloos. Wanneer is het nou eens afgelopen, dit gezeik. Elke dag hetzelfde liedje. Een popsterretje maakt een wanhopige uithaal die verdrinkt in de knetterende uitlaat van de Saab.

Om tien over zes staat Toon weer in de file. Nog steeds of alweer regen. ‘Het is toch te gek voor woorden,’ zegt hij hardop tegen de achteruitkijkspiegel. De Saab is hij vergeten, net als de grijnzende Bifi-worst. Hij trommelt, vloekt zacht en neemt zich voor om ontslag te nemen, of onbetaald verlof. Dan lijkt er beweging in te komen. Toon geeft gas, zijn ruitenwissers zwaaien. Drie keer van links naar rechts en terug tot hij weer stilstaat. ‘Muurvast,’ bevestigt de stem op de radio. Toon zucht. Morgen weer een dag.