Ik zou je willen zeggen

Waar komt die zin vandaan, de zin om de dingen in woorden te vatten? Ze na te vertellen. Vooral de dingen die geen woorden nodig hebben. Alsof je ze zou kunnen begrijpen, en alsof het uitspreken ervan een belofte is van opnieuw beleven. Weer daar, zoals toen, zo goed, zo mooi! Het lukt natuurlijk nooit. Maar die zin, dat willen, dat is er. Dus doe je een dappere poging. Liefst voorbij het opsommen van dode feiten – dat het zo laat was en dat het bij jou thuis was en dat toen dat mooiste akkoord wisselde in je lievelingstrack, snap je? Niet echt. Die coïncidenties doen er wel toe, maar ze laten niets los. Ik wil meer, ik wil weer! Dáár zijn, iets voelen van wat ik voelde, al is het maar…

En zo jagen we met oprechte verwondering naar wat was. Verliefdheid, ken je dat? Zo helemaal naakt in de aanblik van diegene of datgene waar je even meer van houdt dan je ooit zou kunnen zeggen. Of samen precies hetzelfde voelen. In-sync zijn, symbiose – mislukte woorden voor gedeeld beleven, maar nooit bewaren. Hoe benoem je zo’n volmaakt hier-en-nu, zodra het geweest is? Het heeft geen begin en eind met daartussen een ontwikkeling, geen verhaal. En toch spreekt het van geluk.

In zekere zin zinloos, het zoeken naar woorden. Voor wat je voelde, hoorde, zag, proefde, dacht – en jij ook, ja jij ook! Toch? Zodra die vraag opdoemt zit je alweer in je eigen paradijs, met je eigen verboden vruchten. Desalniettemin zijn de woorden die uiteindelijk gevonden worden cruciaal. Wij beleefden iets en schreven ons verhaal, dat steeds een beetje anders klinkt. Wat je vertelt is misschien niet meer dan een gebaar, een haakje aan iets dat zich niet laat herhalen. Maar het geeft niet: je hebt nu iets om aan verder te schrijven. Een begin, een ontwikkeling, einde nog niet in zicht. Vertel je me het nog eens?

Unspoken words

“Silence is the ocean of the unsaid, the unspeakable, the repressed, the erased, the unheard. It surrounds the scattered islands made up of those allowed to speak and of what can be said and who listens.”

I recently delivered a text speaking against the power of final judgement. It was meant to be recited to an audience of jury members and musicians as part of a national music competition. Musically and courageously, my text voiced a poetic critique of its setting. It raised questions, demanded response.

The answer came in the shape of denial: after a try-out the jury decided against the recital, unless revisions be made. Theirs was an answer of fear for interrupted inviolability, for the impairment of having the final word. An imperative of silence guised as a call for mildness. My small text was censured, silenced, and I’m glad—it proves its power. Spoken or unspoken.

Dear jury, I won’t smother my words, nor will I stop scattering question marks in my wake. My words may drown half-heard, yet that means they’ve reached below-surface. And there they remain, waiting to be hooked, or exposed in the flow of a new stream.

De Hokjesdanser

De hokjesdanser is gek op poolparty‘s. Natte naakte lijven. Vlees, vlees! Hij weet hoe het zit, want zijn oordeel is het laatste. Hij drinkt red wine, hij drinkt wel meer. En het is fucking heet in zijn hokje; de hokjesdanser is op stoom. Hij danst zo dat anderen geloven dat hij danst. Zo met zijn knieën en ellebogen en borst en zonder hart. The act of seeing and being seen, zingt hij zacht. Zijn kortzichtige ogen glijden langs gladde gespierde schouders, langs ruggen met zweetparels en langs stevige tepels. De hokjesdanser wuift die lijven in kleine broekjes compromisloos in smalle verdicten.

Lekker.
Lelijk.
Slappe billen.
Grote piemel.
Viber.
Basic bitch.
Oh my god!
Nee.

Hij kijkt niet ver, kijkt nooit naar binnen. Het hokje van de hokjesdanser is donker en oorverdovend. Vier mental walls druipend van nu nu nu, een gesloten deur met kijkgat. Knieën, ellebogen, borst, bonkend hard. Blind en doof danst de hokjesdanser door de nacht, door de dag. En weer een nacht.

Hij is nooit moe,
praat met niemand –

just drinking wine and judging people.

Alles durven, witte wijn, sigaretten

Das Hotel, Mariannenstraße. Ik drink uit een prachtig glaasje: klein, eenvoudig, randvol rood. De eerste slok legt een fluwelen dekentje op mijn tong, laat zich lang proeven. Ik ben hier, neem teugjes, zie in het zachtste blauw. Tedere lucht die licht geeft, geaaid door nog zachter wit in een loom strelen met de wind mee. Blauw en wit, of ijs dat de zon blust en fluisterend haar scherpte wegneemt. Het is al na zessen. Fluweel is ook: hoe de hemel beweegt in een zomerbries, het milde okergeel van het gebouw tegenover en het licht van de lantaarns dat langzaam opwarmt voor een lange nacht in Berlijn.

De bloemen zijn hier jong en wild—ontaarde sterrenbeelden in een donkerhouten hemel. Lila en indigo. Wijnrood. Bladgroen en frisgeel. In hun constellatie van water, lucht, kristal en kleur zweven ze als sneeuw op pauze of dik opspattend zeeschuim, ijsgeworden in een dozijn boeketjes dat in glas aan het hoge plafond hangt. Soms denk ik dat de gulle plafonds deze stad gered hebben, ervoor zorgen dat niemand haar de adem ontnam en dat niemand de adem wordt ontnomen. Je mag er zijn, Berlijner. Hier is ruimte om omhoog te kijken. Vanaf mijn plek aan het kamerhoge open raam kijk ik naar de straat, de lucht en het leven dat in alle richtingen voorbijtrekt. Ik zit er middenin en toch verscholen onder stille sneeuw, dode zee, decor voor wie wil kijken, maar niet zonder meer gezien wil worden.

Kijk ik om, ben ik elders en veranderen onbekende gezichten in bekende. Ik weet nog precies waar mijn moeder zat—en zijn moeder, en hij, zijn hand op mijn been. Hoe mijn moeder lachte, uitgelaten, jong, één hand voor haar mond gekruld, een knuistje eigenlijk, terwijl ze naar voren leunde met die voorzichtige schaterlach, de ondeugende en verlegen blik. Alles durven, witte wijn, sigaretten. Ik laat mijn blik even rusten op het kleine podium links naast de openstaande deur, hoger dan lang en breed, nog geen vierkante meter om te bespelen, en hoor opnieuw de gruizige zang. Ongewassen, schurende uithalen in de nacht. Ik zie de zelfgebouwde contrabas, het olievat, de drie Zeeuwse jongens die allang mannen waren. De oude piano, de onafgewerkte muren in een kleur zonder naam en het kaarslicht dat de ruimte en mijn herinneringen in een warme waas achterlaat.

Eigenlijk had ik willen schrijven van zondag en van zwemmen in je blootje, van er zijn zonder dat je daarvoor consessies moet doen. Maar dat komt later, we zijn nu hier—mijn herinneringen, de dingen en ik. In dit licht van ijs en de vallende avond lachen we gedrieën om de klok en de spoorloze lijn van de wijzers. Tijd is geen lijn, het is een dans en dansend zien we over de schouder, dan weer voorzichtig in de ogen van de nabijheid, raken het nabije aan, voelen de warmte van het onbekende aan onze vingertoppen. En soms, als die aanraking onvoorzichtig, onverwacht, onbevangen is—als aanraken geraakt worden betekent—dan is er geen tijd, geen dans. Dan is er alleen maar zijn, existentie, istigkeit. Mijn glas is vol, de wijn vergeten. Zoveel vergeten. En altijd spijt, dat ik het niet schreef.

Dode vaders

 

Een vriend vertelde me over de dode papa’s van Kreuzberg. Het zijn er veel. Dood of soms nog in leven, elders, in het leven van anderen. Zonen en dochters met dode papa’s vinden hun wegen in straten die slijten in levenslang komen en gaan. Zoals ook het gemis van verloren vaders levenslangzaam slijt.

 

Hé, jij!

Het is ongelooflijk hoe iedereen hetzelfde verhaal vertelt, hoe alles uiteindelijk in dat ene verhaal schuilt. En dan maar roepen dat we geen groot verhaal meer hebben! We leven allemaal in hetzelfde sprookje dat ons helpt om ’s nachts te slapen, of dat ons juist de slaap ontneemt. Geen Disney nee. Sprookjes hoeven niet altijd goed af te lopen. Ligt er maar net aan welke rol je speelt en wie mag vertellen.

Elk leven – dat verhaal waar we allemaal in zitten – gaat over vragen, zelfs al stel je ze nooit. Een vraag niet stellen is toch een antwoord geven, want je bent er en je doet iets. Wie ben je dan, en waarom (doe je zo)?

Dat we allemaal verplicht uniek zijn, gevangen in onze eigen blik, dat smalle vizier van waaruit we zoeken naar elkaar en wellicht naar waarheid – een waarheid die zich ontvouwt in unieke antwoorden op die wie-waarom-vraag, soms samenklonterend tot een Antwoord met hoofdletter, waar we dan weer enkele decennia of zelfs eeuwen aan vast zitten – maakt dat we denken anders te zijn. Anders dan de anderen.

Maar het feit dat ‘jij’ een andere plaats op het toneel van het hier en nu inneemt dan ‘zij’ zegt meer over de voorwaarden van hier en nu – het script – en minder over jou of over hen. We zijn wel anders, eigenlijk zijn we alleen maar anders, heel de tijd. Ik ben alweer iemand anders dan toen ik begon aan dit verhaal en jij bent anders dan wie je was, toen en toen – ach, dat had je nu allemaal héél anders gedaan.

Hé, jij! Ben je er nog? Wat ik eigenlijk wilde zeggen is dat je anders bent omdat je nooit hetzelfde bent geweest. Anders zijn, ver-anderen, is een constante van leven. En daarin zijn jij en ik, en ieder ander, dan dus weer precies hetzelfde.

Even geen ik bij gratie van het niet-ik. Nu even niet. (Jij houdt bovendien toch niet van verhalen die uitlopen op dat “gezeik” van zogenaamd gekrenkte mensen die niet van Zwarte Piet houden. Wat jij wil, daar kunnen we het dan later nog eens over hebben.) Laat ik nu maar afsluiten door te zeggen dat het ook allemaal anders had kunnen zijn. ’T is tenslotte maar een sprookje.

Zonder zeebenen ben je verloren

Ja, er is wel een kans dat ik eens gek word. Nou ja, jullie zullen het dan gek noemen, want het heeft natuurlijk een naam nodig en een plek. Het zou eigenlijk vooral een afscheid zijn, een betreden van een wereld die niet zo mag heten omdat hij grenzeloos is. Dat zal wel die kosmische ervaring zijn, die psychotici soms pogen te vertalen naar de gekaderde horizon van de onverlorenen.

Het zou een hele mooie gekte zijn. Een soort verzwolgen zijn in liefde. Ik stel me voor dat het zo zou kunnen gaan als bij Nietzsche. Dieren zijn liefde, dat zou ik heel sterk kunnen voelen. Ja, ook ik zou een dier snikkend om de hals kunnen vallen. Maar het zou een gebeurtenis van oneindige liefde zijn en niet van droefenis. Is die gebeurtenis, van Nietzsche en het paard, niet onterecht ondergedompeld in tragiek? Wij verloren Nietzsche, maar ik weet niet of Nietzsche heeft verloren.

Een einde, ja. En een opening. Het schijnt dat Nietzsche nooit meer sprak, geen woord meer aan klank of papier toevertrouwde na zijn omhelzing met het paard. Wat kun je ook nog met woorden en het noemen van de dingen, zodra je je zwaarte, het ‘ik’ dat op je schouders drukte en je beide benen stevig met de aarde verankerde, verruild hebt voor de kosmos? Twee benen in een zee van liefde.

 

Stille oceaan

Kolkt in oneindigheid

artworks-000152751749-xpz4d1-t500x500

?

 

Ik geloof niet in punten, echt niet. Alleen in vraagtekens. In iedere punt schuilt een vraagteken (dat leuke krulletje is dan alleen even weggevallen). En uitroeptekens? Die zijn voor degenen die bang zijn voor het vraagteken. Doodsbang! Als je maar hard genoeg schreeuwt, dan hoor je je eigen onwetendheid misschien niet meer.

Verklärte Nacht

Mijn ziel is verlicht maar ik zie geen hand voor ogen. Ik zeg het hardop – niet hard genoeg. Je kijkt me aan. Een beetje schuin, dat weet ik zeker ook al is het pitch black. Het glinstert in je ogen. Jaaa, die ogen die glinsteren. Daarom vind ik je zo leuk. Wat zeg je? Schreeuw je in mijn oor. Ik wuif zo van laat maar en laat mijn lijf weer leiden door de muziek. Ik ben een meermin in de nacht. Donkerzwarte, stroperige beats die je net zo hard voelt als dat je ze hoort. Bvvm bvvm bvvm bvvm doet de golfslag, die me met ongekende kracht heen en weer duwt. Steeds dezelfde beweging, on repeat, on repeat.

Te hard, te donker, het is hier voelen met je zintuigen aan-uit en dat is ook goed zo. Ik heb je net ontmoet. Opgedoken in de diepte – ik jou, jij mij. En ik vind je bijzonder mooi. Je bent een parel, denk ik en ik lach naar je met mijn tanden bloot. Hmhm, onwaarschijnlijk mooi ben je! Ik weet het wel, hoor, zodra ik bovenkom is er niets van over. Alles dat onder water danste is dan alleen nog slap en nat. Wat schitterde slechts een herinnering. Ja, ik zal je terugwerpen in zee en kijk nooit terug. Geen gemaar! Het zachte compromis is een dodelijk wapen, het betekent zand in je ogen en jezelf glimlachend begraven. Het geeft niets. Al is het morgen over, ik houd nu van je.

We lopen de trap op, naar de WC’s. Het is er druk en vochtig. Vanuit de diepte klinken de golven, nu vermengd met het gesuis van stalen kranen en flarden van gesprekken. Het hokje is nog klammer, op de vloer staan lege en halfvolle flesjes bier naast hoopjes nat papier. Hoe ging dat gezegde ook alweer? Het ene neusgat in… En het andere ook. Tijd om de zee te verlaten, we gaan nu naar de maan. Terwijl we vliegen vliegt ook de tijd. Minuten, kwartieren, uren vullen de nacht met voorbije tijd. Tijd die nog niet was – golfslag – ze is geweest. Het is allemaal niet meer dan volle leegte, schitterend. Ik maandans met die sterren in je ogen. En ik twijfel even. Misschien is het voor even voor altijd.

cropped-a0711697631_10