Ik zou je willen zeggen
Waar komt die zin vandaan, de zin om de dingen in woorden te vatten? Ze na te vertellen. Vooral de dingen die geen woorden nodig hebben. Alsof je ze zou kunnen begrijpen, en alsof het uitspreken ervan een belofte is van opnieuw beleven. Weer daar, zoals toen, zo goed, zo mooi! Het lukt natuurlijk nooit. Maar die zin, dat willen, dat is er. Dus doe je een dappere poging. Liefst voorbij het opsommen van dode feiten – dat het zo laat was en dat het bij jou thuis was en dat toen dat mooiste akkoord wisselde in je lievelingstrack, snap je? Niet echt. Die coïncidenties doen er wel toe, maar ze laten niets los. Ik wil meer, ik wil weer! Dáár zijn, iets voelen van wat ik voelde, al is het maar…
En zo jagen we met oprechte verwondering naar wat was. Verliefdheid, ken je dat? Zo helemaal naakt in de aanblik van diegene of datgene waar je even meer van houdt dan je ooit zou kunnen zeggen. Of samen precies hetzelfde voelen. In-sync zijn, symbiose – mislukte woorden voor gedeeld beleven, maar nooit bewaren. Hoe benoem je zo’n volmaakt hier-en-nu, zodra het geweest is? Het heeft geen begin en eind met daartussen een ontwikkeling, geen verhaal. En toch spreekt het van geluk.
In zekere zin zinloos, het zoeken naar woorden. Voor wat je voelde, hoorde, zag, proefde, dacht – en jij ook, ja jij ook! Toch? Zodra die vraag opdoemt zit je alweer in je eigen paradijs, met je eigen verboden vruchten. Desalniettemin zijn de woorden die uiteindelijk gevonden worden cruciaal. Wij beleefden iets en schreven ons verhaal, dat steeds een beetje anders klinkt. Wat je vertelt is misschien niet meer dan een gebaar, een haakje aan iets dat zich niet laat herhalen. Maar het geeft niet: je hebt nu iets om aan verder te schrijven. Een begin, een ontwikkeling, einde nog niet in zicht. Vertel je me het nog eens?

