Ook dingen die geen woorden verdragen, die zich hullen in het zwart van de inkt zonder het papier iets toe te willen vertrouwen, ook daar zoeken we naar verhalen. In het verleden leven is niet goed voor je, zeggen ze. Zeggen psychologen tegen mensen die terug willen. Vertel me je verhaal, een begin en eind met daartussen een ontwikkeling.

Goudhart

Gisteren ontmoetten we elkaar. Je was er, één uur ’s middags bij de steiger. Een lach – zo één van elkaar zien, nog niet dichtbij zijn, maar er wel zijn, er bijna zijn. Een lach die niet anders kan dan er zijn, omdat hij echt is en het moment kwetsbaar gespannen. We liepen de trap op en ontdekten een uitgestrekt houten dek, enkele meters boven het IJ. Een nieuwe plek, vanaf nu voor altijd van jou en mij. De plek van toen op die frisse lichte woensdag toen we elkaar ontmoetten bij de steiger.

Aan de reling keken we naar het water, golvend om en onder ons. Je vroeg of ik iets had meegenomen. Ja, zei ik, en ik pakte de glazen fles met de brief erin, zette deze tussen ons in op de reling. Mijn woorden waren verzegeld met rood lint. Aan goudhart: een zeeverhaal, las je door het glas heen. Even twijfelde je – zou je de fles openen, de brief lezen? De woorden ongeroerd met de wind mee naar zee laten wiegen? Je was nieuwsgierig, opende de fles, maakte het rode lintje los en las voor, las het precies goed. Na de eerste regels stopte je even. Weer die lach, nu koesterend. En je las verder langs golven, warm zand en sterrenbeelden tot het liefs.

Toen pakte je een pakketje, het was zo groot als mijn handpalm. Ik vroeg of ik het open mocht maken. Ja, zei jij. Voorzichtig haalde ik een doosje uit het kleine papieren zakje. Wat ik vond schitterde in goud en licht en duizend kleine spiegeltjes. Het is een steen die je aankijkt, zei je, die terugkijkt in al die duizend spiegeltjes. Toen de zon doorbrak werd dat kijken stralen en ik voelde de schoonheid van het moment, dit moment van aankijken, van echt zien, van een hier en nu gedeeld door twee. Het was een zien geboren uit geraakt zijn, dat liet stralen zoals de zon het goud in mijn hand.

’s Avonds in het laatste licht, kijk ik naar de gouden steen die terugkijkt. En besef dan dat ik een goudhart in handen heb. Een goudhart dat niet alleen terugkijkt, maar me laat zien wie ik ben, wie ik denk te zijn. Ik vertelde je dat ik het leven wonderlijk vind, dat daar voor mij de schoonheid ligt en vanuit verwondering mijn ambitie woekert. Een wonderlijkheid die ik niet kan vangen, die zich openbaart in duizend facetten, me blijft uitdagen tot het ontdekken van nieuwe paden met nieuwe vragen. De wereld is steeds anders, afhankelijk van wie kijkt, van waar en bij welk licht. Glinsteringen in een schitterend geheel.

De wereld is het goudhart in mijn hand.

Processed with VSCO with m5 preset

Stem van de lente

Er hingen slingers op – of er iets te vieren was dat weet ik niet. Ik liep naar het linkerhokje, dat was nog vrij. Tussen de grijze schotjes vouwde ik het biljet uit en dacht even aan mijn eerste keer in zo’n hokje. Nog altijd net een krant. De ijzeren schakels aan het rode potlood waren log en hoekig, grepen in elkaar zodat mijn speelruimte gering was. Ik nam de tijd, liet mijn blik langs onbekende en bekende namen glijden en slaagde erin een keurig rood bolletje te produceren met het verstrikte potlood. Naast mij stond Jannie, wist ik. Jannie en haar vriendin even verderop bespraken namelijk luid wat zij in het hokje aantroffen. “Jannie! Ken jij ‘t vinden?” “Ja!,” schalde het, “waar is me bril – 3, lijst 3 mot je hebben!” Naast mij werd lijst 3 gestemd. Toen ging Jannie’s telefoon, ze nam op. Haar stem werd nog iets luider. Ik luisterde al niet meer en begon mijn weg langs de kleurige guirlandes naar buiten en dacht nog een tijdje aan Jannie, aan Jannies. Op de fiets door de lentezon en de lucht die lichter, zachter leek zoals alleen aan het einde van de winter, hoopte ik dat Jannies vandaag besloten toch maar liever een kroketje te halen dan zich in zo’n grijs hokje te persen. Of eigenlijk hoopte ik dat Jannies de schoonheid zouden zien, de schoonheid van de lentelucht en van een nieuw begin.



de golven


dag, kus
in wind,
tot snel.
een nacht
onaangeraakt,
tot de dag strandt
in vervuld vermoeden
weet je nog de zon?
je zilte lippen op
mijn schouder
toen we
zwommen
in zee, golven
tollendstrelend,
voor  winter  vuur
bevroor tot glas.
toppen sloegen
om in sussen;
zwijgend
op de steiger
wierp jij je blik van ijs,
mijn puls slechts nog
een tinteling.
in stilte
mis ik
je en jij
me niet: dag,
zingt de wind,
vaarwel.