P A R E L S

VIVIANE

De tweede keer dat ik Viviane zie is vluchtig en ik ben niet voorbereid—een ree in het koplicht van een auto kort voor de klap. Ik vraag hoe het gaat, verberg mijn paniek achter een glimlach en mijn roze sjaal. De overvolle tram met beslagen ruiten waar ze uit is gestapt komt krijsend in beweging en ik versta niet wat ze zegt, kijk hulpeloos toe hoe haar woorden in opstijgende wolkjes verdwijnen.

.   .   .

Ik knijp mijn ogen tegen het felle licht. Dat Viviane in een context van wit-gesausde muren zou leven leek onwaarschijnlijk. Toch voeren de betonnen treden me nu omhoog door een modern appartementencomplex met stalen trapleuningen, grote glasplaten waar de zon doorheen valt, en anonieme voordeuren met kijkgaatjes. Ik concentreer me ongewild op de manier waarop ik traploop, niet ploffen, niet sloffen, voel de afstand tussen haar en mij geruisloos concreter worden, als iets dat zich samenbalt in een toenemend vacuüm. Ik ga de laatste bocht om en kijk op naar de vrouw die me verwacht.

Op het moment dat haar blik de mijne kruist gebeurt er iets. Verlangen, denk ik. Ze heeft korte donkere haren en een gezicht uit streepjes. Smalle neus, dunne lippen, bleke huid bestrooid met plooitjes die een felle blik onderstrepen. Als ik na de laatste trede tegenover haar sta—een fragiele gestalte in een betonnen kader, daarachter een zalmroze tapijt—voel ik me opgelaten en geborgen tegelijk. Ze stelt zich voor. Ranke vingers laten een onzichtbare afdruk achter in mijn palm. Ik kijk onwillekeurig naar mijn hand, waar ze nu een paar sokken in drukt, overhandig in ruil een fles Sekt en volg haar in een bescheiden appartement van harde geometrie en zachte rosé-tinten. 

In het midden van de woonkamer staat een vleugel. Ze gebaart naar een sofa en haalt glazen, ijs, een fles bloedsinaasappelsap en een grote tros witte en rode druiven die ze op het glazen salontafeltje voor de bank neerzet, schenkt in: driekwart Sekt, één kwart bloedsinaasappelsap. De glazen klinken—geen verdere beleefdheden. Ze vertelt over haar man en ik luister terwijl zich de contouren van een onsterfelijke liefde ontvouwen. Ze hadden elkaar leren kennen in de trein naar Italië. Zij aan het raam, tegen een decor van voorbijsnellend landschap, hij die naar haar keek terwijl ze zelfbewust naar buiten staarde. Zou ze mooi zijn geweest? Ik probeer de vraag weg te duwen, staar naar mijn tenen in haar roze sokken op een hoogpolig bed van zalm. Ik ontmoet haar blik. Zij ontmoette zijn blik, stapte met hem mee uit, verbleef vijf dagen met hem in een luxe hotel. Nu is hij dood.

Ze staat op en loopt naar de vleugel, knipt het leeslampje aan en gaat zitten. Als ik naar haar lievelingsmuziek vraag, zegt ze: ‘De muziek die ik speel.’ Vandaag is het Dvorák. Op de lessenaar staan verder Beethoven’s Frühlingssonate, een pianotrio van Brahms en een verzameluitgave met tango’s van Piazzola. In het begin is haar spel afstandelijk, maar een paar frasen in het stuk lijkt ze zich te ontspannen en neemt ze me mee. Stuwende bassen met in elkaar grijpende akkoorden dragen lichte melodieën; vingertoppen, strelend en ondeugend. Het kruipt langs mijn rug omhoog. Ik sluit mijn ogen, hoor het duel van twee geliefden. Beukend van onder en bovenin zijdezacht, grijpen en loslaten, in elkaar verdwijnen, janken, fluisteren… Als haar handen zich van de toetsen losmaken kijk ik hoe de haartjes op mijn armen weer gaan liggen. Ze lijkt te wachten op een antwoord, maar ik kan niet op tegen de geweldige stilte waarin haar muziek uitklinkt, leg een dikke rode druif op mijn tong en bijt langzaam tot zijn vel openbarst, vraag me af of de dingen die ik heb ontdekt wederzijds zijn.

  .   .

Het gesprek is ijzig. Zodra er genoeg tijd is verstreken en de volgende tram door onze laatste ongemakkelijke stilte snijdt omhelzen we elkaar; stijfjes, twee mensen die elkaar toch niet kennen. Viviane draait zich om, en ik kijk hoe de tram langzaam leegloopt.


Mens: een reeks korte schetsen van echte en bijna echte mensen, #3. Dit was een klein stukje uit iets groters—zou je verder lezen?

Man die te dichtbij komt

Ik ben hem vaak tegengekomen, je zou kunnen zeggen regelmatig. Hij ziet er nooit hetzelfde uit. Soms is hij lang, een andere keer kort. Van gemiddeld postuur, met bierbuik, tanig. Hij heeft alle kleuren haar al eens gehad, draagt snor of Nikes of iets anders en wordt overal geboren. Toch herken ik hem meteen.

Hij kijkt zo dat ik weg moet kijken en die macht vindt hij geil. Ik weet dat hij weet dat hij iets met me kan doen. Per ongeluk zijn hand langs mijn bil laten gaan als hij langsloopt. Me vastpakken, verkrachten. Het schiet door mijn hoofd en het klopt in mijn borst in die paar lange seconden dat hij te dichtbij komt. Vlees, denkt hij. Neuken! Hij denkt met zijn penis.

Andere mannen kennen hem niet. Van gehoord, ja dat wel, maar tegenkomen doen ze hem nooit, deze zogenaamde man. Andere mannen zijn hem niet. De man die te dichtbij komt is een man in meervoud en dus altijd iemand anders.

Heel soms blijft de man die te dicht bij kwam nog even bij me. Hij gaat ongevraagd met me mee vanuit de metro naar huis, ik neem hem mee in bed en hij is het die ik als laatste zie voor ik in slaap val. Hij denkt niet aan mij, nu niet meer. Hij is alweer een man als alle anderen.

Boterhamzakjes

Wat naast het wit met groene houthakkershemd, het naar twee kanten gekamde halflange witte haar en de volle baard het meeste opvalt is de huid onder zijn ogen. Gebruikte boterhamzakjes tot halverwege zijn wangen. Het is een fascinerend overschot aan vel, als een afgeworpen slangenhuid, met het verschil dat deze man de droge zakjes niet zomaar kan laten liggen en verruilen voor glad en glanzend. 

Erg oud is hij niet, ik schat halverwege de zestig, misschien jonger. Bij mensen die een leven lang in Berlijn hebben doorgebracht is het soms moeilijk te zeggen. Zo’n type lijkt hij wel: een levenslange Berlijner. Een man die deze stad nog kende gedeeld door twee. De ogen boven de zakjes staren naar iets op de grond dat zich ongeveer een meter voor zijn voeten moet bevinden en dat meebeweegt terwijl hij loopt. Misschien is hij een mens van het nostalgische soort, dat met lede ogen aanziet hoe zijn Berlijn in iets verandert dat hij niet meer meent te herkennen. Ik weet niet precies hoe zwaar dat thema is; of het zoiets is als slecht weer, een geliefd onderwerp onder buurtgenoten die zich niet voor elkaar interesseren, maar in de rij voor de kassa niet te beroerd zijn om te beurtelings te zuchten en het hoofd te schudden, of dat het genoeg gewicht heeft om de wallen van een Ur-Berliner als slappe origami richting kin te trekken.

Het houthakkershemd is wat je een blikvanger zou kunnen noemen, niet per se vanwege de kleur en het bekende geblokte patroon – type grote vlakken en lijnen, niet het keurige soort met kleine blokjes dat zegt “ik ben een gewone man” – nee, het springt vooral in het oog vanwege de kou. Het is begin december en 2 graden, maar de man loopt met opengeknoopt overhemd en een wit T-shirt van de Lidl naar huis. Ik stel me voor hoe hij in de rij voor de kassa niet klaagt over het weer, zwijgend een beurtbalkje pakt, staart naar iets op de bodem, contant betaalt en misschien iets onverstaanbaars tegen de caissière mompelt. Dat hij dan zijn boodschappen in de Lidl-tas doet, de kou in stapt, en het gewicht van zijn leven naar huis draagt.


Je las zojuist eerste poging in een voorgenomen serie: Mens. Een reeks korte schetsen van echte en bijna echte mensen. Laat je me weten wat je er van vindt?

Een slok melk

‘Slok melk?’ ‘Ja.’ Paco is niet het type dat je door de koffiedamp zwijgend aankijkt; geen filosoof en zonder veel opsmuk. Hij leest zelfhulpboeken. Ik houd mijn mok een beetje schuin terwijl hij een goeie scheut melk inschenkt. Hij is al een tijdje werkloos. Soms gaat hij naar de OBA om dingen te doen. Straks gaat hij ook weer, meestal naar de derde verdieping.

Tussen ons in op de hoek van het keukeneiland ligt een boek over time management. Het is geschreven door een Poolse psycholoog met een moeilijke naam. We vermaken ons een tijdje met mislukte pogingen om al die medeklinkers achter elkaar uit te spreken. De oplossing volgens dat boek: to-do lijstjes. Opschrijven wat je moet doen, netjes onder elkaar, met lege vierkantjes ervoor. Een stift om kruisjes of v-tjes te zetten en de rest gaat vanzelf.

Ik vraag of hij naar de bieb gaat om to-do lijstjes te schrijven. ‘Kap es,’ zegt hij met zijn brede grijns. Jongensachtig. Hij is moeiteloos mooi en weet het. Jonge Amsterdammers proberen iemand te zijn en vaak lukt dat zonder dat het opvalt, maar als je dan een beetje schuin kijkt zie je het meteen. Paco niet, hoewel ook hij niet zonder pretentie is. Hoe hij beweegt en hoe hij praat en waar hij van houdt – dingen die om erkenning vragen.

Toch: “10 life hacks die je leven veranderen,” moderne wijsheden voor mensen die drukdrukdruk zijn, leest Paco zonder gène. Ik drink mijn laatste slok. We staan op, fietsen nog even naast elkaar langs de Brouwersgracht, slaan dan ieder onze eigen weg in. Op mijn tong ligt nog het laagje, slingerend tussen bitter en zoet.

File

Toon staat in de file, al een half uur ofzo. Had hij zich net zo goed nog kunnen scheren. Trommelen op het stuur, ruitenwissers sneller, langzamer. Hij neemt een slok koude koffie. Een dun straaltje loopt via zijn mondhoek naar beneden en vormt een druppel aan zijn kin, valt dan op de witte kraag. Godver. Doekje pakken uit het dashboard. Nou ja, laat ook maar. Links van hem rijdt een Saab met een hippie achter het stuur, soms voor, dan weer achter hem. Wat een tyfusherrie maakt dat ding. Toon kijkt zo geërgerd mogelijk naar links, dan weer vooruit naar een remlicht dat soms wel 20 seconden brandt.

Vanuit de lucht bezien lijkt file op een autosoep, een kleffe massa in twee dunne slierten die in tegengestelde richting bewegen. Als je van dichtbij gaat kijken zie je de stukjes. Rood, veel blauw, meer metallic grijs. Nog dichterbij en je ziet door kleine raampjes de levens in die auto’s. Stukje rijden, stoppen, stukje rijden. Bestuurders zuchten om de beurt, maken bubbels in de soep.

Een rood kruis boven de linkerrijstrook en een hoop geknipper verderop zorgen voor wat reuring. De hippie in de Saab wil voor hem invoegen. Geen denken aan dat ik achter die bak ellende ga rijden, denkt Toon. Hij drukt zich tegen zijn voorganger aan, zo dicht dat hij de tanden van de grijnzende Bifi-bumpersticker kan tellen. Maar de hippie laat zich niet kennen en duwt door. ‘KAN JE NIET RITSEN! EIKEL!’ Toon steekt zijn middelvinger op, de hippie zwaait en de Saab ronkt. Dan maar de radio aan. Verkeersinformatie – ja, ja, ik weet ook wel dat ik in de file sta. Tien minuten en weinig meters verstrijken. Ook Toon’s hangende ogen staan inmiddels op file. Grijs en uitzichtloos. Wanneer is het nou eens afgelopen, dit gezeik. Elke dag hetzelfde liedje. Een popsterretje maakt een wanhopige uithaal die verdrinkt in de knetterende uitlaat van de Saab.

Om tien over zes staat Toon weer in de file. Nog steeds of alweer regen. ‘Het is toch te gek voor woorden,’ zegt hij hardop tegen de achteruitkijkspiegel. De Saab is hij vergeten, net als de grijnzende Bifi-worst. Hij trommelt, vloekt zacht en neemt zich voor om ontslag te nemen, of onbetaald verlof. Dan lijkt er beweging in te komen. Toon geeft gas, zijn ruitenwissers zwaaien. Drie keer van links naar rechts en terug tot hij weer stilstaat. ‘Muurvast,’ bevestigt de stem op de radio. Toon zucht. Morgen weer een dag.

Ik zou je willen zeggen

Waar komt die zin vandaan, de zin om de dingen in woorden te vatten? Ze na te vertellen. Vooral de dingen die geen woorden nodig hebben. Alsof je ze zou kunnen begrijpen, en alsof het uitspreken ervan een belofte is van opnieuw beleven. Weer daar, zoals toen, zo goed, zo mooi! Het lukt natuurlijk nooit. Maar die zin, dat willen, dat is er. Dus doe je een dappere poging. Liefst voorbij het opsommen van dode feiten – dat het zo laat was en dat het bij jou thuis was en dat toen dat mooiste akkoord wisselde in je lievelingstrack, snap je? Niet echt. Die coïncidenties doen er wel toe, maar ze laten niets los. Ik wil meer, ik wil weer! Dáár zijn, iets voelen van wat ik voelde, al is het maar…

En zo jagen we met oprechte verwondering naar wat was. Verliefdheid, ken je dat? Zo helemaal naakt in de aanblik van diegene of datgene waar je even meer van houdt dan je ooit zou kunnen zeggen. Of samen precies hetzelfde voelen. In-sync zijn, symbiose – mislukte woorden voor gedeeld beleven, maar nooit bewaren. Hoe benoem je zo’n volmaakt hier-en-nu, zodra het geweest is? Het heeft geen begin en eind met daartussen een ontwikkeling, geen verhaal. En toch spreekt het van geluk.

In zekere zin zinloos, het zoeken naar woorden. Voor wat je voelde, hoorde, zag, proefde, dacht – en jij ook, ja jij ook! Toch? Zodra die vraag opdoemt zit je alweer in je eigen paradijs, met je eigen verboden vruchten. Desalniettemin zijn de woorden die uiteindelijk gevonden worden cruciaal. Wij beleefden iets en schreven ons verhaal, dat steeds een beetje anders klinkt. Wat je vertelt is misschien niet meer dan een gebaar, een haakje aan iets dat zich niet laat herhalen. Maar het geeft niet: je hebt nu iets om aan verder te schrijven. Een begin, een ontwikkeling, einde nog niet in zicht. Vertel je me het nog eens?

Unspoken words

“Silence is the ocean of the unsaid, the unspeakable, the repressed, the erased, the unheard. It surrounds the scattered islands made up of those allowed to speak and of what can be said and who listens.”

I recently delivered a text speaking against the power of final judgement. It was meant to be recited to an audience of jury members and musicians as part of a national music competition. Musically and courageously, my text voiced a poetic critique of its setting. It raised questions, demanded response.

The answer came in the shape of denial: after a try-out the jury decided against the recital, unless revisions be made. Theirs was an answer of fear for interrupted inviolability, for the impairment of having the final word. An imperative of silence guised as a call for mildness. My small text was censured, silenced, and I’m glad—it proves its power. Spoken or unspoken.

Dear jury, I won’t smother my words, nor will I stop scattering question marks in my wake. My words may drown half-heard, yet that means they’ve reached below-surface. And there they remain, waiting to be hooked, or exposed in the flow of a new stream.

De Hokjesdanser

De hokjesdanser is gek op poolparty‘s. Natte naakte lijven. Vlees, vlees! Hij weet hoe het zit, want zijn oordeel is het laatste. Hij drinkt red wine, hij drinkt wel meer. En het is fucking heet in zijn hokje; de hokjesdanser is op stoom. Hij danst zo dat anderen geloven dat hij danst. Zo met zijn knieën en ellebogen en borst en zonder hart. The act of seeing and being seen, zingt hij zacht. Zijn kortzichtige ogen glijden langs gladde gespierde schouders, langs ruggen met zweetparels en langs stevige tepels. De hokjesdanser wuift die lijven in kleine broekjes compromisloos in smalle verdicten.

Lekker.
Lelijk.
Slappe billen.
Grote piemel.
Viber.
Basic bitch.
Oh my god!
Nee.

Hij kijkt niet ver, kijkt nooit naar binnen. Het hokje van de hokjesdanser is donker en oorverdovend. Vier mental walls druipend van nu nu nu, een gesloten deur met kijkgat. Knieën, ellebogen, borst, bonkend hard. Blind en doof danst de hokjesdanser door de nacht, door de dag. En weer een nacht.

Hij is nooit moe,
praat met niemand –

just drinking wine and judging people.